Hoe staat het, gezien de erkenning van autonomie van Nederlandse maatschappelijke organisaties door de overheid én de vermaatschappelijking van ontwikkelingssamenwerking, met de manier waarop de Nederlandse overheid en de maatschappelijke organisaties (zowel Nederlandse als internationale als lokale) elkaar aanvullen en versterken? En: hoe vullen zij andere spelers aan, zoals het bedrijfsleven?
Wat is er besproken tijdens de start van de dialoog?
Het begrip complementariteit wordt niet eenduidig begrepen. De context waarin gewerkt wordt verandert snel. Met de context veranderen ook de rollen. De hokjes tussen de verschillende soorten organisaties worden vager, nieuwe vormen komen op. Het bedrijfsleven functioneert niet meer als het bedrijfsleven van vroeger, ontwikkelingsorganisaties functioneren ook anders, er is meer dynamiek. En met de vermaatschappelijking van de internationale samenwerking hoort ontwikkelingssamenwerking ook bij andere ministeries een rol te gaan spelen. Maatschappelijke organisaties kijken naar de overheid en benadrukken hun eigenheid en willen daar ook ruimte (en financiering) voor.
Vragen voor het forum:
1. Kunt u voorbeelden geven die beschrijven hoe de scheidslijnen tussen verschillende types organisaties (maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven, ministeries, privé-initiatieven) verdwijnen, en hoe organisaties nieuwe rollen krijgen?
2. Wat verstaat u eigenlijk onder complementariteit?
3. Welke succesverhalen over complementariteit tussen verschillende types organisaties kunt u geven? En welke oorzaken droegen volgens u bij aan deze successen?
Lees hier de samenvatting van de eerste discussie over dit thema tijdens de startbijeenkomst op 22 mei.
Klik
hier voor het artikel van een deskundige op dit thema aangevuld met commentaar van een andere auteur.